Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Teellinck, de uitnemende prediker uit de zeventiende eeuw, in zijn Nootwendigh Vertoogh desaangaande schreef in den vorm van

„Huisordre voor den Vastendagh" ').

"V. Nu uyt de verscheyden gelegentheyt deser ghevallen, ontstaen somtijdts twee onderscheyden betrachtingen, onder den Huys-ghesinde, namelijck, het houden van een Vastendach, ofte Dancdach, na dat onse saken oft ons wel nae den sin oft anders gaen.

A I. Aengaende den Vasten-dach, die men met sijn Huys-ghesinde te houden heeft, daer over staen alle die dinghen aen te mercken ende te betrachten, die wij hier vooren Lib. 4 Cap. 8 hebben aengheroert, over de gheleghentheydt van eenen gemeynen Vasten-dach ende dan noch vorder, ten aansien van de gelegentheydt des ghesindes, soo mach dese voet, ende dit beleydt ghevolght worden.

1. Dat alle de Huys-genooten daeghs te vooren trouwelijkck bereydt worden tot d' oefeninghe des Vastcn-biddachs. Tot dien eynde soo is het zeer nut

a. Dat de Huys-vader des avondts, te vooren, kortelijck ende duidelijck aen sijne Huys-ghenooten verhale wat d' oorsaken zijn, daerom den Vasten-biddagh beleydt wordt, ende hoe seer sij daerover behooren beweecht te zijn.

b. Mitsgaders oock wat die bijsondere heilighe oeffeninghen zijn die op den Vasten-biddach moeten ghepleeght worden.

c. Als oock mede wat kracht d' oefeninghe des Vastens heeft, om een zegheninghe van Gode te verwerven, ende hoe groote vrucht de selve wel oyt gheschaft heeft: ende dat hij daer uit dan aenwijse

d. Hoe wel het de pijne weerdt is, dat wij ons selven ter deghe daer toe schicken souden, dat wij jae nu al in tijdts, al ons tijdelijck bedrijf afdoen souden, ende alle aerdtsche bekommernissen uyt onsen hoofde stellen, ende ons pooghen te voorsien met de gheestelijcke gaven des ijvers, ende des gheloofs.

f. Maer noch zonderlinghe is het van noode, dat in dese betrachtinge de Huys-vader syne Huysgenooten waerschouwe teghen haer evghen ^ onbequaemheyt om dese heylige oeffeninghe wel te pleghen, tegen d'onwillicheydt hares vleesches ende de tegenstandt des Duyvels!

ende f. hun alsoo henen wijse, tot den Heere haren Godt, om van hem hare hulpe te verwachten, ende te betrachten door sijnen ghenadighen bijstant, machtig ghemaeckt te werden, om dese heylige oeffeninghe noch wel te pleghen, ten goede des volcks, ende tot harer zielen troost.

g. Ende dewijle wij ghehoort hebben (in de gemeyne handelinghe van den Vasten-biddach) dat de Heere voor al vereyscht, dat wij onse bekende zonden ende grouwelen moeten wech doen, souden onse be-

') W- Teellinck, Nootweruligh Vertoogh, Rotterdam, P. van Waesberehe 1647 pag. 195, 7.

Sluiten