Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weg was ze.

Hij keek haar na, en bleef staren naar de deui waardoor ze heen was gegaan.

Ze waren dertien jaar getrouwd, en nog was hij verliefd. Hij begreep het soms zelf niet.... Hij, de ernstige man van studie, reeds de veertig voorbij, nog verliefd als in de eerste dagen van hun huwelijk!

't Was hem nu weer duidelijk op dat oogenblik • die vrouw was een element in zijn leven dat hij niet missen kon. Hij kon zich het leven niet buiten haar denken, zij was hem dierbaar en onontbeerlijk als het licht zijner oogen. Neen, meer nog; want blind zou hij nog aan 't leven hechten, zonder zijn Paula scheen het hem waardeloos. En zij had hem immers lief, het bekoorlijke vrouwtje dat zijn bestaan dooi zonde.

Ondanks haar vier-en-dertig jaren was ze altijd even aantrekkelijk voor hem. Hij kende geen gebaar van haar, geen houding, geen stemgeluid, dat hem ooit mishaagd had, en haar schoonheid was hem telkens en telkens weer een bron van nieuw genot.

Droomerig staarde hij vóór zich uit, half omgedraaid in de bureau-stoel. Haar beeld was nog niet weggewischt van zijn geest: hij zag haar nog, zooals ze, bevallig als altijd, met een beminnelijk lachje weggewipt was, luchtig als een vogeltje, en toch met volkomen zelfbewuste bewegingen.

Hij was toch een zondagskind! Hij zoo'n

Sluiten