Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor Didi had de stilte die er heerschte, bij al die ernst, een groote aantrekkingskracht. Zij zat er gaarne, en vóór achten was ze er dan ook dikwijls, soms met, maar liever zonder haar moeder. Larsen babbelde graag met zijn „kleine meid", zooals hij haar steeds bleef noemen, ondanks haar opgeschoten gestalte, die bijna aan zijn schouder reikte, en, als moeder erbij was, zat zij gewoonlijk stil.

Nu was 't wat laat, en vader week van zijn gewoonte af. Ze vond het vreemd, begreep er niets van. En vader was zoo innig, zoo heel anders dan gewoonlijk. O ja, ze herinnerde zich goed, dat hij eens, net eens, heel lang geleden, ook zoo lief — nee teeder, meende ze, want lief was vader altijd geweest was: dat was toen ze weer voor 't eerst haar ouders mocht omhelzen na de wekenlange afzondering toen ze diphteritis had. Toen was vader net zoo geweest, ja net zoo. Moeder was dikwijls bizonder druk met kussen en liefkoozen; maar hoe kwam 't toch dat ze al die hartstochtelijke aanhalerij zoo weinig prettig vond, terwijl een tikje op de wang van vader, of een zoentje op haar voorhoofd van hem, haar altijd opnieuw aangenaam stemde? Moeder was zoo ongelijk. Soms beknorde ze haar hevig, zag kort daarna haar overdrijving, soms onrecht, in, en dan draaide ze ineens om. „Mijn engel, mijn snoes, mijn alles, mijn beestje, mijn hondje" was 't dan,

Sluiten