Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O, u is wel goed," antwoordde Larsen warm, „en ik waardeer 't zeer, dat ze in u een moederlijke vriendin vindt."

Mevrouw Boudewijns straalde minzaam. In haar zwartzijden japon had ze iets van de vorstin die een onderdaan begenadigt.

„Ja," ging Larsen voort. „Paula heeft dat noodig. Ik verzeker u dat ik 't aan haar merken kan; sinds ze u kent is ze bepaald gelukkiger. Een omgang als met u was 't eenige wat haar ontbrak."

Zoo stonden de zaken dan aan de vooravond van 't huiselijk drama dat zich bij Larsen was begonnen af te spelen.

Onder de namen harer aanbidders, tegenwoordige en vroegere, had Paula de jeugdige Boudewijns niet genoemd: waarschijnlijk omdat haar de heele verhouding te veel als een onbeteekend spelletje voorgekomen was. Die Dolf was nog zoo'n aapje: die telde nauwelijks mee. 't Was wel een aardig kereltje — frisch en onbedorven. Ze had zich lachend aan hem gegeven, zijn zin gedaan zooals men dat doet tegenover een aanvallig knaapje wien men niets weigeren kan. 't Was een tijdverdrijf voor haar, meer niet; een aardig spelletje nu en dan om haar verveling te verdrijven; maar niets blijvends of rustverstorends; geen bedwelmende roes, maar slechts een aangename opwekking.

Sluiten