Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op die avond na 't bezoek aan Van Thiemen was Paula in geen tien dagen bij haar vriendin geweest. Mevrouw Boudewijns overlaadde haar met vriendelijke verwijten: haar Dolf was wanhopig geweest, hij ook had niets van haar uitblijven begrepen; de arme jongen was er bepaald ziek van. Paula lachte en verklaarde 't geval. Zoo'n dwaas kind! Waar was hij ? O, thuis, natuurlijk, zuchtende, zooals hij al dagen achtereen, in angstig wachten, was geweest.

„Je vindt hem boven," zei mevrouw Boudewijns, „verras hem 's. Wat zal hij blij zijn!" En ze voelde zich tegenover die beiden zoo recht moederlijk gestemd op dat oogenblik. Wat zag die Paula er lief uit, en wat hield Dolf veel van haar!

Paula wipte de trap op, geruischloos en vlug als een eekhoorntje.

Voorzichtig deed ze de deur van Dolf's kamer open; de portière die erover hing gleed van haar schouders toen ze binnentrad, voetje voor voetje.

Het jongmensch zat ineengedoken bij de tafel, met de rug naar de deur. Een boek lag opengeslagen voor hem. Het licht der gaslamp viel op zijn fijne, mooiknaapjes-trekken. Hij hield de oogen half gesloten, de handen op schoot in elkaar gevouwen, in een houding van misnoegdheid. Een grijs flanellen jasje met roode tressen omsloot zijn bovenlijf, zijn voeten staken in mooi-gewerkte pantoffels.

Sluiten