Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Goed." Larsen was volkomen kalm, en zonder verder een woord verliet hij met zijn kind het vertrek.

Toen alle drie tien minuten later bij de voordeur waren, stond Dr. Brakel even stil.

„Een oogenblik," zei hij. „Ik moet nog even iets vragen."

Een glimlach vloog over Larsen's gebaard gelaat.

De dokter ging naar binnen, en Didi maakte van de gelegenheid gebruik om zenuwachtig en haast fluisterend te zeggen:

„Vadertje."

„Ja, mijn kind?"

„Gaan we nu niet naar Engeland?"

„Vandaag niet, schattemeid. Over een paar dagen."

„Hè, gelukkig!"

Ze was voldaan, en zuchtte diep: de voornaamste zorg was uit haar gemoed weggenomen.

Toen Dr. Brakel eenige oogenblikken later weer naar voren kwam overdacht hij zijn allerlaatste zielkundige waarneming: 't was toch vreemd met die krankzinnigen: ze konden zoo zot doen, en toch ook weer zoo heel gewoon verstandig handelen! De hotelhouder had „niks niemendal" gemerkt: meneer had behoorlijk afgerekend ook en gewoon afscheid geno men, en de kelner ook behoorlijk bedacht! Vreemd,

vreemd Een lastige studie, die psychiatrie,

en men leerde telkens wat nieuws, merkte telkens

Sluiten