Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hu, 't was koud in de gang. Zijn schreden klonken hol, ondanks de bekleeding van 't marmer onder hem.

Hij deed de ketting van de deur, verschoof de grendel en draaide de sleutel om. Ziezoo, daar stond hij op de stoep.

Hij zag dat hij geen overjas aanhad, 't Was koud. Ver in 't najaar en dan 's nachts. Hoe laat zou 't zijn? Hij tastte naar zijn horloge: dat had hij bij zich als gewoonlijk. Veertien minuten voor éen.

Hij sloeg de kraag van zijn jas op, en dook weg in zijn schouders. De straten waren leeg, koud en stil. Hij liep aan de linkerzijde van de breede straat, waaraan zijn huis lag, in 't volle maanlicht. De huizen, waarlangs hij voortstapte, keken hem in 't voorbijgaan met starre blik aan, in leege, koude, stille onverschilligheid waar 't licht scheen, in sombere dreiging, daartegenover. Larsen ijlde voort met harde klinkende schreden over de wit-starende straatkeien, straat in, straat uit; een gracht over — de brug dreunde hol onder hem — rechts af eenige hooge huizen langs.

Hij was waar hij wezen wilde. Een korte weifeling had hem even na 't uitgangspunt van richting doen veranderen, zoodat hij een kleine omweg gemaakt had.

Ja, daar moest hij wezen. Hij wou Van Thiemen spreken. Dat was 't beste. Hem alles zeggen. Hoe laf en verachtelijk hij was. Alles zou hij zeggen.

Sluiten