Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wou hij meneer spreken in 't holle van de nacht? Wat moest ze doen? Waarachtig as God, ze wist het niet.

Daar klonk een hooge mannestem in de gang:

„Wat is dat aan de deur, juffrouw? Iemand voor mij soms?"

„Och.... professor, komt u ereis even hier."

Eenige vlugge schreden in de gang, dan een fluistergesprek.

Larsen ving een enkel woord op, nog steeds op de stoep staande:

„ .... Weggeloopen .... gevaarlijk .... Gods mogelijk!.... Och, onzin!.... Zelf weten.... m'n lieve mensch "

De voordeur ging wijd open, en Van Thiemen, in bruine kamerjapon, de armen over de borst om het anders openhangend kleedingstuk bijeen te houden, stond met vriendelijk lachend gelaat tegenover de late bezoeker.

„Wel, Larsen, wat kom jij hier zoo laat doen? Moet je mij hebben?"

Er was een eigenaardige uitdrukking in Van Thiemen's oogen, en een toon van onder vroolijkheid verborgen twijfel, die beide onmiddellijk Larsen's aandacht trokken. Hij deed alsof hij niets daarvan merkte.

„Ja, kom ik ongelegen?"

Sluiten