Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

armen op de leuning van zijn stoel slap neerliggen, en staarde naar boven. „Ik voel geen vermoeienis. Ik kan niet slapen. Als jij me aangehoord hebt, ga ik naar de politie. Dadelijk. Ik ga me aangeven. Ik zeg je: ik heb mijn vrouw vermoord, geworgd als een beest, met mijn eigen handen. Als je bewijzen wil hebben, kan ik je naar mijn huis brengen. Daar zal de politie nu al wezen "

Van Thiemen vond 't verstandig maar te luisteren. Toegeven, niet onnoodig prikkelen, dacht hij. Waarom zou hij de stumpert zijn zin niet geven? De uiting van 't geen hem zoo vervulde zou hem misschien goed doen, opluchten.

Zuchtend nam Van Thiemen zijn plaats weer in, strekte de handen naar 't vuur uit.

„Vertel me dan alles," zei hij. En op zijn onbeantwoord gebleven vraag terugkomend: „Ben je vandaag

in de stad gekomen — of ik bedoel eigenlijk

gisteren — Donderdag: we hebben eigenlijk al Vrijdag op 't oogenblik." Hij wees op de klok.

„Ja, eenige uren geleden, 't Was avond toen ik op weg ging. Ik ben weggeloopen uit het gesticht."

„En toen?"

„Ik woü er uit, en ik woü naar mijn kind. Ik had geen geld, en ben dus komen loopen — drie uur."

„Een heele wandeling."

Sluiten