Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En dan wringt hij zich weer uit 't gedrang, om de werklui onder 't tooneel toe te roepen, dat ze moeten ophouden met dat geschreeuw en dat gehamer ...

De smidsjongens krijgen opeens den souffleur in de gaten, wiens gezicht, omlijst door den donkeren boog van de kast, en oranje geel gekleurd door een lampje vóór hem, uit den vloer opkomend in een hoogen witten puntboord, doet denken aan 't sprekende hoofd van de kermis, zooals het daar druk-door sterke lippenbewegingen maakt, die de jongens, als gebiologeerd nadoen.

De regisseur houdt inmiddels met Hunding de wacht bij de deur van de hut.

»Zie je wel« — zegt hij — »of 't ook góéd is, dat ik een touwtje aan den grendel gemaakt heb; ze heeft de deur wéér van binnen gesloten.«

Hunding zingt de laatste passages mee ...

De regisseur: »Daar is 't: «Hunding wil ik verwachten» ... wacht nog even ...«

De solist zit op 't trapje, neemt schild en zwaard vlug op, schraapt zich de keel

»Kom maar«, roept de regisseur, trekt de deur aan 't touwtje open, als een portier van 'n tingeltangel; »als je blieft«, en werpt de deur weer dicht.

»Moe aan 't vuur »Vond ik den man ;

»Nood voert hem in 't huis« ....

»Goed zoo« — en hij vliegt weer tusschen de coulis-

Sluiten