Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan 't eind, met zwaar mahoniehouten leuningen erlangs, stonden onze kaarsen al op een rij op de glimmende kandelaars. Twee lichtgele deuren tegenover elkaar; de rechtsche van de gelagkamer, waar 't licht en warm was; midden op den houten zandigen vloer een tafel met kranten; opzij een groot buffet, gelederen van buikige karaffen dragend, de zware toonbank glad leeg... En tegen de wanden hingen lange veilingplakkaten met groote zwarte letters, spoorwegdiensten en een verweerd vergunningsbewijs achter glas in een bruin lijstje.

De dikke waard rekte zich uit zijn warmen dommel, gaf ieder zijn groote mollige hand, en zei dat 't niet veel weertje was. We zetten onze taschjes allemaal naast elkaar in een hoekje, en liepen door den kouden donkeren avond, met duidelijke echoïng van stappen, stemmen en lachen, naar den schouwburg, een groot, nieuw, roodsteenen gebouw, met twee lantaarns ervoor, en wijd open deuren op de fèllichte, fel wit-gestucadoorde vestibule, waar twee controleurs met lage hoeden op en dikke winterjassen aan jammerlijk stonden te trappelen in den blazenden tocht.

In 't stadje had ik nog geen andere menschen gezien dan een stationschef, een bagagedrager, een handelsreiziger, vijf logement-omnibusjeskoetsiers, een waard, en heel veel »comedianten«, en alleen den handelsreiziger, den logementhouder en veel comedianten zag ik den schouwburg binnentreden.

Sluiten