Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inspiciënt en den requisiteur uit Rotterdam toe; maar dat ging volstrekt niet op, want 't eerste wat al deze onzichtbare tooneelisten me vroegen was: »Vindt u dat geen mooi toonéél voor zoo'n kleine plaats ?« — »is 't hier niet flink ingericht ?« En ik antwoordde maar vlug »ja«, gedachtig aan de verhalen van de Asser bedstee, 't achterdoek met 't oude wijfje, en 't boschstukje waar de klok en de vogelenkooi doorschenen ....

»Hebt u mijn verblijf wel eens gezien?« vroeg de souffleur — »dat is hier werkelijk nog vorstelijk ingericht; maar weest u voorzichtig, 't is niet gemakkelijk om er te komen.«

In 't smalle achterpaadje zag ik hem plots neerknielen, en een zwaar luik ophalen. Hij stak een kaarsje op en verdween langs een laddertje in de donkere diepte, door mij gevolgd; en met 't dondereffect waarmee Mefisto uit Faust zakt, smakte 't luik boven ons hoofd weer dicht. Een groote kelder, op 't gniepigst voorzien van balken om over te vallen, en balken om 't hoofd tegen te stooten. De souffleur leidde me goedig bij de hand tot aan een planken schotje, waarboven een koepeltje welfde en daar scheen licht

door Tegen 't schotje was een horizontaal plankje

getimmerd, en zijn lichaam in eens in een ongelooflijken bocht wringend, zat de souffleur op dat plankje terwijl zijn hoofd voor mij verloren ging, en in 't ongezellig kelderdonker was zijn lichaam, hingen zijn beenen ...

Sluiten