Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boven het nauwe boord van de glacé's... Zenuwachtig schrikt ze op als een dikke Duitsche daar ook komt, paffig bloot uit een persend geregen blauw keursje, breed van heupen onder de lange strakke rokken, breed van haar, dat als een grove mat plakt tegen haar rond hoofd, met een scheeve kuif neerbuigend op haar laag, wit-bleek voorhoofd .... Ze heeft de handen in de zij geplant, de armen als dijen staan wijduit....

»Langweilig« — lispelt ze — »und kalt.... Und keine Menschen ....«

En de Hollandsche couplettiste zegt op zijn Duitsch, de woorden loom vallen latend: »Ist kein werken so, stille woche die menschen keben kein keld aus, mussen paaseieren kaufen, und sitzen in die kerk «

En 't scherm zakt... »Op, Jeanne?« vraagt de jongen, die al bij 't touw in de hoogte springt... En kuchend, vlug hijgend, duizelend neergevallen tegen de coulisse, zucht ze: »'t mot wel, de baas staat bij 't buffet, en die beroerdelingen scheien niet uit met derlui geklap, maar ik verzet geen voet meer... En wachten!«

Fanfaren bonken op tegen de lage zoldering — In een vollen aai plooit ze den bouquet van korte rokjes weer in de hoogte, het keursje neergetrokken, de kantjes er onderuitgehaald en glad gestreken langs den rozen hals die bevend diep-in en wijd-uit gaat; dan een handdoek weggepakt van een spijker en met harde vegen, in 't spiegeltje kijkend, 't vettige zweet van haar rood gezicht gesmeerd... Een stuk kam door 't

Sluiten