Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaam — zulke paartjes, nu en dan door een onhoorbaar aankomende, met lichtjes-geschitter voorbijgonzende fiets, vlak langs hen, met valsch hard getoeter, tot hartkloppingen- en mekaar-loslatens toe verschrikt

En in de donkere Zondagavond-stad volgen zij den langen, lijzig voortslenterenden breeden stoet van vrijende paartjes, en ristjes giegelende meisjes, en rijtjes jongelui met lichte overjassen, over voetbal pratend, die elkaar zoeken, en wèl toelachen, toe-gieren durven, toeroepen zelfs, maar niet de armen in elkaar haken, en zoo heelemaal als scharrelpaar resoluut er samen vandoor stappen ...; en vaders en moeders met kinderen, die naar oomes en tantes gaan, en luidruchtig galmende mannen, die zalig van kroeg in kroeg den Zondag vieren ...

Op den Coolsingel bij t houten brugje lonken en wenken de groene en roode en blauwe glimoogen van de Raamstraat...; de jongens dringen erheen ; de meisjes beverig, met plotse hevige losrukjes, maar dan weer toegevend voor: »Och, maid, wees toch niet soo bang; seggeris, Kei, jai bent óók een lollige om mee oit te gaan;... nou, ga je nou mei — se selle je daar seiker opfreite, 'n lekkere kluif —; hè maid, wat kan je d'r nou gebeure, kom nou ... geef me d'r dan maar vaif, dat is de vreugde van me laif,« en onder een »hösse singe; hósse singen,« duwt 'ie haar op 'n drafje voort...

»Schai toch oit, WullemU roept ze geërgerd zijn

Sluiten