Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ziet van de wanden dan dat ze de menschen knusjes bijmekaar houden in de warmte, in de weeke, wazerig walmenden atmosfeer... Alleen die groote spiegels met vergulde lijsten aan weerskanten van 't tooneeltje zijn kil donker-blauw, doods leeg, en die aanmatigende lijsten geven iets gegêneerds in 't gemoedelijk samenzitten ... Maar dat zie je alleen als h ij er niet is, op de planken: Bassie-zèlf. Ja, hij is zélf de kemiek, meheer Bassie, en »ie's goed«, roepen met kennis van kemiekigheid de jongens, »en 'n aardig fentje«, beamen de meiden met 'n draaitje van hun kin.

Hij past precies in dat lage smalle tooneeltje, een vuurrood gordijntje pal boven z'n hoofd, en twee passsies links, twee rechts... 'n knutterig tooneeltje, en effetief netjes, fijn geschilderd die drie donkergrijze driehoekige berchies op 't licht grauwe achterdoekje, en die twee lieve witte wollekies. Daar staan op 'n riggeltje drie groote, oranjeroode bloempotten tegen-aan; die zie je 't eerst, zelfs van de straat af tusschen de gordijnen; en drie kaarsrechte stammetjes staan er magertjes in, zonder één blaadje; die zijn zeker gevüllen van Bassie's kemiekegeid. Dat daarboven heeft 'ie óók zélf geteekend, met conté en wit krijt op vellen blauwgrijs teekenpapier: in 't midden een ster in een cirkel, daar leunt aan weerskanten een platte, zwarte mannenkop tegenaan, z'n baard spierwit, uitloopend in een geweldige spiraal; aan die ronde krullen heeft ie 't

Sluiten