Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waggelend, vader met een ringbaard en een hooge zijden pet op, moeder met een wollen muts die warm sluit op den oranje sjaaldoek, en de kinderen in lichte katoenen jurken; ze hebben zakken met »kesausies«

bij zich, en 'n fleschje ; ook dansen wel eens

rumoerig risten fabrieksmeiden binnen, glimmend heldere meiden, korte jakken op zwart moiré rokken, en trijpen pantoffels waar paarse kousen uitkomen; blootshoofds, gladde haarlokken, plat op 't voorhoofd en gegolfd, een spichtig krulletje als een garnaaltje onder de ooren, en lange gouden bellen, opvallend blank en frisch de gezichten en de hals met bloedkoralen snoer: — zingend komen zij uit t naaste danshuis gezwaaid: »heische, heische, heische, hupsasa, hè je in huis nog braod of bier, bewaar 't foor je onderofficier» ..., ze betóógen t, de beide armen in de hoogte. .. totdat de oude heer Bassie zegt: »Kanne jelui je snoet houwe en ordentelijk zijn, ga dan zitten, anders smijt ik je er weer nèt zoo uit«, en dan vluchten ze met krijschend gejouw, op de dijen slaande van lach, óf de warme gemoedelijkheid heeft ze al te pakken, en ze gaan zitten en roezen in, alleen nog maar uitbundig trappend en slaand als Bassie er weer zoo'n goeie heeft gehad — maar de jongens die denken dat ze dan wel een vrijigheidje kunnen begaan, krijgen een feilen slag op hun gezicht, met een verpletterend minachtend: Jai, ingert, uitgepullekt krentebrood . .. ?

Sluiten