Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mekaar zoo gauw volgen. Een en tachtig jaar samen in leven, en drie weken na mekaar dood.«

»Tweelingen,« merkte de andere nicht technisch op.

Heel lang stil was 't daarna, een vreemde ernstige stilte, na dat mal banaal gezegde, 't Hinderde 'm als aanstellerij, als onechtheid — hij begreep er dit in: er was 'n zwaar woord gesproken, de dochters hadden 't niet gevoeld, en nu vertoonden zij er door getroffen tezijn.

»U neemt me niet kwalijk« — zei ie toen, opzettelijk opgewekt, »maar ik moet opstappen; u begrijpt, 't is al laat en m'n vrouw wacht. Kan ik u misschien ook nog met iets helpen, met schrijfwerk of zoo?«

»Och dank u« — zei de korte, —»we hebben maar zoo weinig kennissen, en wat er gedaan moest worden is vrijwel afgeloopen. En 't is ook maar beter in zulke dagen de dingen zélf te doen ... 'k weet 't niet, ik heb zoo'n behoefte om druk bezig te zijn ...«

»'t Is waar,« knikte, met een gezicht van »is 't niet zoo ?« tegen de anderen, en meteen medelijdend lachend, nicht Stoeters.

En de lange zei, heel laag en zacht 'r stem: »U wil moe zeker nog wel even zien — u had altijd zoo met 'r op ...«

Hij, vreezend onhartelijk te schijnen, wilde wel gaan, maar 't nuchter denken van wat 'ie daar nou an had, om dat lijk te zien, waarom ie zich nou per se beroerd zou maken, duwde 'm terug op z'n stoel, en — moeite doende om 't flink te zeggen zoodat ze niet zouden

Sluiten