Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'ie geen woord zeggen vóór eerst geconstateerd te hebben dat 't goed was.

Den nacht vóór de begrafenis werd hij even wakker. Nu bedanken, zooals bij't graf, — besloot hij : »Ikdank de dochters namens de overledene voor de eer aan de aanwezigen ..In de kloppende angst dat ze 't hem vragen zouden telkens de formule herhalende in andere volgorde, bleef hij wakker liggen, zenuwachtig rondwoelend, dan weer zich dwingend kalm te zijn. En dan zei 'ie 't weer eenige malen goed, en dan in eens... daar was !t weer. Z'n hersens deden pijn van 't denken. Ze schenen verstompt, en machinaal werkten ze voort, zonder dat 'ie iets meer begreep van den zin der woorden, met die nachtmerrie-achti ge dankformule.

Om er aan te ontkomen stond hij vroeg op; in z'n hoofd was een weeë pijning, net alsof hij te veel gedronken had den vorigen avond. Vermoeid zag hij op tegen dat begraven-gaan ; hij voelde 't als een banaal ceremonieel, ging na hoe hij daarin zou moeten doen, wat hij zou zeggen, op welken toon hij zou spreken, en dat denken ergerde 'm, omdat hij dus óók onecht wilde zijn; hij vond 't valsch, dat 'ie 'n hoogen hoed zou opzetten, ja, dat 'ie meeging, terwijl er geen diepe rouw in 'm was over den dood van moeder Grijs, van

Sluiten