Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«De rouwspeldjes,« zei ze, »de jongen wacht op centen«

De lange keek plots op, groef haar hand in haar zak, haalde geld uit haar huishoudknipje, maakte 't pakje open, en stak een der zwarte broches aan haar kraag, 't andere zwijgend overreikend aan haar zuster, die 't neerlegde op den schoorsteen.

Druk redeneerend, blij verbaasd over zóó 'n effen lijk, kwam 't gezelschap terug, door 't loopje wat vrijer geworden, en dit nu uitend in opdringerigen lof aan de dochters.

»'k Heb heel wat lijken gezien,« zei in onverholen geestdrift een der heeren — »maar zóó gaaf, zóó — 'k zal maar zeggen hard, zijn ze maar zelden. En wat 'n gezicht; of ze d'r voor pleizier leit.«

Duidelijk hoorde men boven schroeven piepen en daarna de kist de trap afdragen met zwaar gestommel, even stootend tegen den muur van de gang. .. toen 't geluid vervagend bij't buiten-komen. Allen luisterden er naar.

«Daar gaat ze« — zei met 'n zucht 't oude grijze oompje, dat weer gedrongen zat in den hoek bij de gordijnen, net als boven, toen 't condoleance-visite was...

Dood stil was 't... Op 'n draf kwam 't dienstmeisje binnengeloopen, en met bevende stem voor dat groote gezelschap, zei ze zenuwachtig: »Meheer, meheer, de juffrouw d'r hoed...!«

Angstig-verbaasd, alsof 't kind gek was geworden, staarde ieder 'r aan. De lange gaf een gil... Maar toen

Sluiten