Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

smal; de schouder van z'n korte blauwe winterjas hingen in bogen op z'n eigen schouders af. Star zat'ie onbeweeglijk, dom-eerbiedig als in de kerk.

Kil geel licht zeefde er door de gordijntjes in 't rijtuig, en langs de kiertjes schoot de oranje zonneglans en 't druk jubelend leven van de blij wakkere ochtendstad.

»Wat 'n pracht, wat 'n pracht,« zei plotseling de heer met 't domme boerengezicht, terwijl'ie ongeloovig t hoofd schudde, en met eerbiedige verbazing vroeg'ie z'n buurman: »Heb uwe die kist gezien van dat dure, fijne hout? — echt pérenhout meneer!«

En toen 't gezelschap met nuchtere »jawel's« toonde dat het 't niets bijzonders vond, ging de man met gespannen bewondering voort: »Maar hebt uwe dan op die afwerking gelet met die fijne randen, en dat deksel met 'n dakkie d'r op. Die kist was heelemaal naar 't lichaam gemaakt, weet uwe dat wel? — breed bij 't hoofd en smal bij de voeten. Dan moest uwe de doodkisten bij ons in Nieuwland 's zien; daar maken ze d'r een bak van, een vierkante bak, niets meer..

De anderen toonden opzichtig belangstelling in die bijzonderheid; ze vonden 't een welkome bron van gesprek ...

»Maken ze d'r een bakkie van ?« — vroeg grinnekend om z'n woordspeling 't dansmeestertje ... »Wat zegt uwe? — een gewone vierkante kist? — Nee neef, daar vertel je me wat nieuws!«

»Zeker,« vervolgde zwaarwichtig de Nieuwlander,

Sluiten