Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijde vlakte, kleintjes ook 't gesnerk van 't grint in de verre stilte. Een oude werkman, die in't zonnetje 'n pijp liep te rooken, bleef stilstaan aan den weg. eerbiedig groetend voor 't lijk. En zonder 'n oogenblik meer om te kijken zette hij z'n wandeling voort in tegenovergestelde richting.

Naast den kuil, tusschen 'n bergje geel, nat zand werd de kist een oogenblik neergezet, toen weer opgelicht, de dikke touwen kwamen er om, even nog rusten op de dwarsleggers boven 't graf, en op 'n zacht; »ga je gang« van den doodgraversknecht, zakte hij langzaam, de aansprekers hun ruggen gedraaid van 't zware vieren-laten, één 'n stap meegetrokken, dadelijk tegengehouden in z'n lenden door twee makkers. De graversknecht plofte de eerste scheppen zand op het deksel, de heeren liepen voorzichtig naar den rand van den kuil om er in te zien, hun hoeden vasthoudend bij 't naar voren buigen . ..

»'t Is afgeloopen« zei toen, met de goedigheid van iemand die 'n prettig verlof geeft, de eerste aanspreker. En nu druk redeneerend, luchtig loopend, gingen de heeren naar de koetsen terug. De leidende aanspreker accentueerde zijn groet, omdat 't de laatste was, z'n rechterhand 'n eind naar voren. En de genoodigden drukten die hand, zeggende: »Nou dag meneer,« er bijvoegend, in navolging van 't oude oompje dat eerst instapte — »wel bedankt hoor.«

In daverende vaart gingen de rijtuigen terug, de

Sluiten