Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gordijntjes nu naar de hoogte, zoodat 't vol zonlicht daar binnen was, dwars door 't uitbundig bedrijvig straatvertier van achterbuurten ...

Maar in t huis van moeder Grijs drukte nog de kil sombere, donkere doodsstemming; geen zonnestraaltje mocht er zacht troosten. De dames zaten nog net als toen de stoet was weggegaan. De lange op de canapé, nu opofferend kalm; de korte met roode oogen, en haar lachen vriendelijker, als vergoedend 't huilen van straks.

Nadat de heeren weer handen gegeven hadden, gingen zij breed-gemakkelijk zitten; enkelen staken een sigaar op, en met koffiehuisachtige gemoedelijkheid begonnen zij opgewekt te redeneeren.

»Vin je 'n niet toevallig, Na?« — vroeg 't dansmeestertje, en t was of er iets onhoudbaar grappigs moest komen: »vin je 't niet toevallig? zoo oud als ik ben was 'k nog nooit uit begraven geweest. Toevallig hè, dat 't nou juist bij jullie moeder most zijn; — 't is sterk? k Ben nou toch dertig jaar, en allemaal nog in leven: vader, moeder, de broers, en van me vrouws kant net zoo ... Verleden was 'k bang dat 't er van komme zou ... Met kleine Willem, toen — je weet wel, toen die zoo erg de keelziekte had. De dokter had 't me in den mond gegeven. Meneer, zei 'ie, de jongen is slecht hoor. — 'k Zal 't nooit vergeten ... En de volgende dag kwam 'ie terug, en toen heeft ie met 'n soort van vorrekie allemaal groote

Sluiten