Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slampamperige jongens met bleek-dronken tronies, en fabrieksmeiden, en kinderen, zoo uit bed ...

Toen ze lang voorbij waren kwam ik voorzichtig 't gras uit gekropen, beschaamd voor dat: »Houd 'm!« — en opeens heel moedig stapte ik er achteraan, als 'n argeloos nachtlooper... In de verte zag ik de sliert horten, opstoppen tegen elkaar, en bonk-hijgend geworstel in zwak lantaarnlicht... En eindelijk op adem, riep 'n meid: »Ze hébben 'm, houdt 'm vast, gap ze mes af« ...

Toen ze er allemaal om heen stonden, kwam ik ook. Rn ... daar begonnen ze te zingen: »Hop falderiere. Hop faldera.« Een rist dronken slierende jongens voorop; dan een rij van vijf, arm in arm, de messesteker in 't midden. En daarachter de meiden. En toen liep er één kerel 'n eind vooruit, en van z'n rug nam ie 'n koperen trompet, en plechtig blies ie daar een ernstig schallenden marsch op ... En hosse-zingen, hopfalderiere, hopfaldera, allemaal arm in arm, hosten ze naar 't politiebureau in een kermisstoet door den nacht. Zóó werd de moordenaar opgebracht.

Maar 't was al te laat om nog in de nachtkrant te zetten dat ze 'm hadden.

Sluiten