Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Wie zinloos, zonder t'overwegen Wat hem betaamt, tot U durft gaan, Zal voor uw aanschijn niet bestaan: Gij haat, en staat hun billijk tegen,

Die onrecht plegen.

PAUZE.

6. Gij, Heer! verdelgt den logenspreker, Hij, die zijn hand met bloed bevlekt, En gruwlen met bedrog bedekt,

Tergt, als de snoodste wetverbreker,

Den hoogsten Wreker.

7. Maar ik, bedauwd in mijn gedachten Met voorsmaak uwer goedigheên Zal ten gewijden drempel treên

En in ontzag mijn beed' en klachten Troost laten wachten.

8. Leid mij in uw gerechtigheden:

Om mijn verspied'ren wil, en richt Uw paden voor mijn aangezicht:

Dan zal ik veilig voorwaarts treden,

Met vaste schreden.

9. Al 't recht is van hun mond geweken Hun hart is valsch, arglistig, straf, Hun keel is als een open graf:

Hun tong tracht vleiend ons door treken Naar 't hart te steken

10. Versmijt ze, God; verbreek hun pogen; Verijdel hunnen moordnaarsraad,

Opdat zij d'ingebeelde daad

Daar 't hart zoo zeer naar heeft getogen Nooit meer vermogen.

11. Maar geef uw trouwen gunstelingen, Wier geest in U zijn sterkte vindt,

Wier hart uw' naam oprecht bemint, In U volvroolijk op te springen,

En blij te zingen.

Sluiten