Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. Dan zet U wederom omhoog

Op uwen troon,

Als Rechter, en betoon,

Voor aller menschen oog,

Dat Gij, een Heer der volken, Hen oordeelt uit de wolken.

9. Nu vel, naar mijn gerechtig pleit,

(Ik ben gerust)

Naar 't recht U wel bewust, En mijne onnoozelheid,

Het vonnis, zonder voordeel, o Rechter! strijk het oordeel.

10. Gij, Hartekenner, die den twist

Zoo grondig weet,

Laat volstaan 't onbescheed En onrecht, dat men dus vernist; Moog' d'onbeschaamdheid tieren, Gij zult den vrome stieren.

11. Wie recht en billijk handelt, wacht

Van 't billijk rijk Omhoog geen ongelijk,

Maar hulp. De Godheid acht, Die vroom is en rechtvaardig,

Zijn hulp en hoede waardig.

2. PAUZE.

12. D'Aartsrechter, op den hoogen stoel,

Van groot geduld En sterk, der boozen schuld Vast aanziet, stil en koel,

En dreigt hen niet gestadig, Verstoord en ongenadig.

13. Volhard de boosheid, onverschrikt,

In haar besluit,

Zoo rukt Hij 't slagzwaard uit, En spant den boog, en mikt Met doodelijke flitsen,

Geslepen, gloênde spitsen.

Sluiten