Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kleentje, dat nog zuigt Aan moeders borst, van uwen lof getuigt,

Zoo klaar, dat ze al te zamen, Die uwen naam ontheiligen, zich schamen. Wanneer ik, 's avonds spa, Uw werrekstuk, den Hemel gade sla, Den loop van starre en mane,

Die gij geleidt op 't spoor van hare bane; Dan spreek ik: hoe bezint Gij dus een worm, een mensch, een menschenkind Gij hebt hem zulks verrijkt,

Dat hij bijkans uwe Engelen gelijkt. Gij kroondet hem, met merken Van eere en prijs, tot Heer van alle uw werken. Gij stelt hem in uw steê In 't hoog gezag der wereld, over 't vee,

De schapen in de heiden,

En ossen die in veld en beemden weiden; Ook over 't pluimgediert,

Dat door de lucht met vlugge pennen zwiert;

En visschen, die zich reppen In zee en stroom, en daar hun adem scheppen, o Heer, ons aller Heer!

Hoe schiet de zon van uwen naam en eer

Haar heldre wonderstralen Zoo verre om d'aarde, en over alle palen!

PSALM 9.

1. Ik zal met al mijn hart den Heer Blijmoedig geven lof en eer;

Mijn tong zal mijn gemoed verzeilen En al zijn wonderen vertellen.

2. Ik zal in U, mijn God van vreugd, Opspringen in den geest verheugd: Uw naam zal door mijn psalmgezangen, O Allerhoogste! lof ontvangen.

Sluiten