Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onschuldig bloed; hij weet van geen erbarmen,

Maar sluit zijn oog voor 't bitter leed der armen.

PAUZE.

5. Hij loert, en houdt zich in het donker schuil,

Gelijk een leeuw, die in zijn hol zich zet; D'ellendigen verrast hij uit zijn kuil;

Hij heeft zijn' klauw en tanden scherp gewet, En trekt zijn prooi in 't dicht belommerd net; Hij buigt zich, duikt, en ijlings toegeschoten,

Valt d'arme hoop hem in de sterke pooten.

6. Hij vleit zich, dat de Godheid dit vergeet', Het aangezicht verberg', niet gadesla,

Noch immer zie der armen nood en leed.

Bewijs, o Heer! d'ellendigen gena;

Betoon, dat U hun smart ter harte ga.

Sta op: verhef uw hand, om hem te straffen,

En raad en hulp den armen te verschaffen.

7 Waarom ontrooft de lasteraar Gods eer?

Wat vleit hij zich, dat God het niet aanschouw . Gij ziet het toch, waarheen hij zich ook keer : Want Gij merkt op de moeite, smart en rouw, Opdat men 't U in handen geven zou. Op U verlaat zich d'arme; zou hij vreezen. Gij immers zijt een trouwe hulp der weezen.

8. Fnuik Gij, o Heer! der'goddeloozen kracht. Verbreek hunn' arm, dat U de booze ducht . Zie neer in toorn op dit ontaard geslacht,

Opdat het nooit Uw streng gericht ontvlucht, Maar ete van zijn werk de bittre vrucht.

De Heer zal toch als Koning eeuwig leven: Het heidendom is uit zijn land verdreven.

o o Heer! Gij wilt, door goedheid aangespoord,

Den wensch van uw zachtmoedig volk voldoen; Gij zult hun hart versterken naar uw woord, Verdrukten door uw godlijk recht behoen, En U, ter hulp van arme weezen, spoen;

Sluiten