Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Godsdienstigheid is maar een menschendroom, Een mijmervlaag, een waan, een ijdel wezen, Een eigen vond, gegrond op 't kindsche vreezen Des slechten volks, dat zich door bang geschroom

Stelt onder toom.

4. Dusdanig is de heimlijke gedacht

Des slimmen gronds, dies opent zich een deure Ter gruwlijkheen; niets kan zoo schelms gebeuren Of 't wordt (als 't dient) van hen of meê volbracht Of nabetracht.

5. De groote God, die 't recht verdedigt, sloeg Van 's hemels troon zijn oogen naar beneden Op Adams kroost, doorzocht hun hart en zeden; Hij zag, of zich geen mensch verstandig droeg,

En naar Hem vroeg.

6. Hij zocht alom, maar ach! Hij vond er geen; Want alle vleesch is trouw'loos afgeweken; Het land is vol van stinkende gebreken;

Geen sterveling wil 't pad der deugd betreen;

Ja zelfs niet één.

PAUZE.

7. Heeft dan dit volk, dat groeit in euveldaên,

Geen kennis? neen! Thans durven die ontzinden Met gulzigheid mijn volk als brood verslinden; Zij roepen op hun godvergeten paan,

Den Heer niet aan.

8. Daar valt de vrees hen aan, en breekt hun kracht, En pijnigt hen met doodelijke nepen;

Zij worden door vervaardheid aangegrepen;

Want God is bij 't rechtvaardige geslacht,

Dat op Hem wacht.

9. Gij spot vergeefs, beschimpende den raad Van 't arme volk, dat, midden in d'ellenden,

Naar 's hemels troon gewoon is 't oog te wenden, En zich, in zijn bedrukten jammerstaat,

Op God verlaat.

Sluiten