Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10. Der vromen eenvoud hebt gij steeds veracht, Verdrukt, geschend; en hun godsdienstigheden, Hun hoop, hun vrees, hun ijver, hun gebeden, Hun ernst, hun doen bij elk in haat gebracht

En trots belacht.

11. Daar keert het lot, neemt God zich hunner aan, Daar is de draad huns ramps ten end geloopen. Daar blijkt, hoe wijs zij zijn, die op God hopen, Hoe dwaas, die door 't hoovaardig Godversmaan

Hun ziel verraan.

12. Och daalde 't heil uit Zion spoedig neer Voor Israël! Als God zijn volk uit lijden En banden redt, zal Jakob zich verblijden, En Israël al juichend geven d'eer

Aan zijnen Heer.

PSALM 15. y.a

1. Wien gunt Ge, o Godheid! te verschijnen Voor 't hooge Koor, daar Cherubijnen

De Bondkist dekken met haar schacht?

Wien zal 't gebeuren, dag en nacht,

Op uwen heilgen berg te rusten,

Het liefste, dat een hart mag lusten?

2. Die, niet besmet in zijnen wandel,

En gansch rechtvaardig in zijn handel,

De voeten in Gods schaduw zet,

De klare waarheid spreekt, die met Zijn harte stemt, en, zonder liegen,

Zijn tong kan spanen van bedriegen;

3. Die, om des naasten heil te stutten,

Zijn schade en schipbreuk poogt te schutten,

Zijne ooren stopt voor 't lasterwoord,

Dat hij tot 'sanders nadeel hoort,

Veracht dat ongebonden wezen,

En looft ze, die Gods strengheid vreezen;

Sluiten