Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En tot een hoofd den heidenen gegeven ;

Ik stelde 't volk, mij onbekend, de wet;

Zoo ras ik sprak, werd op mijn' wil gelet; De vreemde zelfs zag mij vol schrik naar d' oogen Lag voor mijn' troon geveinsd'lijk neergebogen. Zij vielen neêr; zij sidderden van schrik In burg en slot, op ieder oogenblik.

Zoo leeft de Heer; mijn rotssteen zij geprezen De God mijns heils moet steeds verheerlijkt wezen Die God, die mij volkomen wraak verschaft, En volk op volk mij onderwerpt en straft;

Die mij verlost uit mijns vervolgers handen; Die mij verhoogt, mijn vijand slaat in banden: Ja, Gij verhoogt mij boven al 't geweld,

Daar G'op den troon van roem en eer mij stelt. Daarom, o Heer! zal ik U eer bewijzen;

Bij 't heidendom uw' naam eerbiedig prijzen Met psalmgezang, daar 't hart door wordt geraakt. Hij heeft het heil zijns Konings groot gemaakt. Ik zal uw naam in 't midden van de volken Verheffen aan den hemel en de wolken.

Gij zegent en verheerlijkt Jesses zoon,

Den Koning, uw gezalfde op den troon Door uw genade, en levert stof tot zingen Aan David en zijn erfnakomelingen,

Eeuw in, eeuw uit, bevestigd en bekend,

Zoo lang de zon om 's werelds ronde rent.

PSALM 19.

1. Het ruime hemelrond

Verbreidt, met blijden mond, Gods eer en heerlijkheid; De heldre lucht en 't zwerk Verkondigen zijn werk, En praal en majesteit. Dus kan ons dag bij dag, Tot roem van Gods gezag, Zijn wonderen verhalen;

Sluiten