Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13. Verhoog, o Heer! uw' naam en kracht; Zoo zal ons vroolijk zingen Door lucht en wolken dringen; Zoo wordt uw heerschappij en macht Door ons, nog eeuwen lang,

Geloofd met spel en zang.

PSALM 22.

1. Mijn God! mijn God! waarom verlaat Gij mij, En redt mij niet, terwijl ik zwoeg en strij?

En brullend klaag in d'angsten, die ik lij',

Dus fel geslagen?

't Zij ik, mijn God! bij dag moog bitter klagen, Gij antwoordt niet;

't Zij ik des nachts moog kermen,

Ik heb geen rust, ook vind ik geen ontfermen In mijn verdriet.

2. 'k Erken nochtans, Gij, Gij zijt heilig, Heer! En hebt uw huis, den zetel uwer eer,

Bij Isrel, daar uw lof klinkt keer op keer,

In gunst doen bouwen;

Op U stond vast der vaderen betrouwen: Gij zaagt hen aan;

Gij hebt, wanneer z'in nooden Tot U om hulp, vertrouwend, zijn gevloden, Hen bijgestaan.

3. U smeekten zij, van menschenhulp ontbloot, En zijn gered; zij hebben in hunn' nood

Op U vertrouwd; van schaamte nimmer rood,

Na hun gebeden.

Maar ik, ik ben een worm, van elk vertreden: Een worm, geen man,

Een spot en smaad van menschen,

Wien 't booze volk, naar zijn baldadig wenschen, Beschimpen kan.

1. PAUZE.

Sluiten