Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12. Gij, die God vreest, gij allen prijst den Heer, Dat Jakobs zaad zijn' grooten naam vereer': Ontzie Hem toch, o Israël! en leer

Vertrouwend wachten.

Wie mij veracht', God wou mij niet verachten, Noch oor noch oog Van mijn verdrukking wenden,

Maar heeft verhoord, wanneer ik uit d'ellenden Riep naar omhoog.

13. Ik loof eerlang U in een groote schaar,

En, wat ik U beloofd' in 't heetst gevaar,

Betaal ik, op het heilig dankaltaar,

Bij die U vreezen.

't Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen, Ten disch geleid;

Wie God zoekt, zal Hem prijzen. Zoo leev' uw hart, door 's hemels gunstbewijzen, In eeuwigheid.

14. Eerlang gedenkt hieraan het wereldrond;

Haast wendt het zich tot God met hart en mond, En, waar men ooit de wildste volken vond,

Zal God ontvangen:

Aanbidding, eer en dankbre lofgezangen;

Want Hij regeert,

En zal zijn Almacht toonen; Hij heerscht, zoo ver de blinde heidnen wonen, Tot Hem bekeerd.

15. Wie vet is, eet, en knielt voor Isrels Heer;

Wie 't stof bewoont, bukt mede voor Hem neêr; En wie zijn ziel bij 't leven nu niet meer

Heeft kunnen houden.

Het vrome zaad van die op God betrouwden Zal, door zijn kracht,

Hem dienen, voor Hem leven;

Het zal den Heer eens worden aangeschreven, In 't nageslacht.

Sluiten