Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. Want van hen zullen komen andren meer Die voort en voort verbreiden uwe leer, Waardoor, Heer, uw gerechtigheid in eer Hoog wordt verheven.

PSALM 23.

1. Als een Herder zijne schapen in een groen landouwe weidt, En, om hunnen dorst te laven, naar de versche beken leidt: Zoo is ook de Heer mijn Hoeder. En omdat de Heer mij hoedt, Zal voor 't lijf noch spijs ontbreken, noch verkwikking voor 't

[gemoed.

Toen ik, als een dolend schaapjen, afgegaan van 't rechte pad, Ongewisse gangen dede en verkeerde wegen trad,

Bracht Hij, als een trouwe Herder, bracht Hij mijne voeten weer Op des levens rechte straten, om zijns naams hoogwaarde eer.

2. Of ik schoon (gelijk een kudde die in doods gevaren staat, En somwijlen langs de heide tot een prooi der wolven gaat,) Wandlen moest op zulke wegen daar men eind noch uitkomst ziet, En geen mensch in 't nare donker zich tot leidsman aan ons biedt: Ja, in zulke nooden raakte daar de dood voor oogen stond, En de ziel bij geene menschen hoop' van troost noch hulpe vond. Noch en zoud' ik niet vertsagen, nu gij helpt en bij mij zijt, Als een Herder die zijn schapen trouwlijk met zijn staf bevrijdt.

3. Gij bereidt mij voor de oogen van mijn vijand een banket: Daar zoo wordt mij overvloedig alle spijze voorgezet:

Daar zoo druipt mijn hoofd van olie, en mijn beker vloeit van wijn: Dit vervult mijn geest met vreugde en mijns vijands hart met pijn. AH' de dagen die ik leve (en daarop vertrouw' ik mij)

Blijft mij Godes rijke gunste en zijn milde goedheid bij; AH' de dagen die ik leve (des ben ik in 't hart gewis)

Zal ik blijven in de woning daar de Heer, mijn God, in is.

Sluiten