Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 24.

Al d'aardboöm, en wat d'aardboöm in zijn palen

En ronden ring besluiten kan alom,

Ook mensch en dier, die daar hun adem halen,

't Is altemaal Gods goed en eigendom:

Want God is zelf de Schepper aller dingen ;

Hij grondd' op zee dat wonderbaar gebouw, En wist het meir met duin en strand te dwingen,

Opdat de mensch dit rond bewonen zou.

Maar och! wie zal den berg des heils beklimmen,

En veilig staan, in 's hemels heiligdom,

Daar Serafijns en Cherubijnen glimmen, En Englen God bestuwen om en om? Onnoozlen, die hun hart noch hand bevlekken;

En die geen tijd in ijdelheên verkwist,

Of met een grijns van eeden poogt te dekken,

Tot 's naasten scha, zijn valsch bedrog en list. De hemel zal dien vromen man milddadig

Verrijken; wat hij drijft en trekt ter hand,

Gods rijkdom valt hem heilzaam en genadig Van boven toe, gelijk een dauw op 't land. Dit is 't geslacht der vromen, die God minnen

En zoeken, als hun eenig deel en lot.

Dit zijn ze, die, met strak gespannen zinnen, Verlangen naar de komst van Jakobs God. Aartsengelen, gekroonden, die daar boven

Gezeten zijt in Uwe Majesteit,

Sluit op, zet op de poort van 't hof der hoven!

Sluit op, zet op de poort der eeuwigheid! De Koning komt; de Koning is voorhanden, Van wiens gezicht alle eer en glorie straalt: Onthaalt den Heer, die over alle landen

En rijken heerscht, in grootheid onbepaald. Wat Vorst is dit? Wat Koning mag dit wezen?

Het is de sterke, onoverwinbre Held, D'Almogendheid, voor wie de heeren vreezen, Wanneer Ze vecht en triomfeert in 't veld. Aartsengelen, gekroonden, die daar boven Gezeten zijt in Uwe Majesteit,

Sluiten