Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij maalt ze aan stof. De boomen spartlen,

In lucht en zon,

Lijk 't kalf op Liban danst bij 't dartlen,

Als Sirion,

En zijne buffel-veulens springen.

Gods stem omhoog,

Als vier, door wolken heen komt dringen

Uit 's hemels boog.

Zij berst met weerlicht uit, en blikkert,

En straalt en licht Met bliksemstralen, gloeit en flikkert

In ons gezicht.

De stem der Godheid treft de heide

En wildernis;

De stem der Godheid schept een weide,

En akkerdisch,

Als Kades, zonder groen en loover

En overvloed,

Geen voedsel schiet voor dieren over,

Noch menschen voedt.

Gods stem de hinden brengt aan 't baren,

Na barens wee;

Zij dringt door schaduw, loof en blaren,

Van stee tot steê.

De dankbren spoeden naar Gods drempel,

En kronen Hem Met lofzang, in zijn heilgen tempel,

Met hart en stem.

De Godheid goot, na 't lange tergen,

Een springvloed uit De wolken, en verdronk de bergen,

Daar 't zwerk op stuit.

Hij zal, als Koning, ook regeeren

Op zijnen troon,

En eeuwig alles reguleeren

Naar 's hemels toon.

Hij sterkt zijn volk en erfgenooten

Uit zijn paleis,

En zegent eeuwig Jakobs loten Met vrede en peis.

Sluiten