Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Beschaam, verschrik de goddeloozen;

Verstom hen in den dood,

Och of uw Almacht sloot De valsche lippen van die boozen,

Die, stout en trotsch, verachten Hen, die uw wet betrachten.

15. Hoe groot is 't goed, dat Gij zult geven

Hem, wiens oprechte geest Op U betrouwt, U vreest!

Hoe groot is 't heil, dat O'in dit leven, Ver boven beed' en wenschen,

Reeds wrocht voor 't oog der menschen.

16. Gij zult uw volk een schuilplaats wezen;

Gij bergt hen in het licht Van 't godlijk aangezicht,

Daar zij geen leed van trotschen vreezen: Een hut, waarin zij 't woelen,

Den twist der tong niet voelen.

17. Geloofd zij God, die zijn genade

Aan mij heeft groot gemaakt;

Die voor mijn welstand waakt:

Zijn oog slaat mij in liefde gade;

Hij wil mij heil bereiden;

Mij in een veste leiden.

18. Ik heb, te moedloos neêrgebogen,

En door de vrees gejaagd,

Weleer te ras geklaagd:

,,'k Ben afgesneên van voor uw oogen": Dan, nog woudt G'U ontfermen,

Toen Gij mij hoordet kermen.

19. Bemint den Heer, Gods gunstgenooten!

Den Heer, die vromen hoedt,

En straft het trotsch gemoed:

Zijt sterk; Hij zal u niet verstooten; Hun geeft Hij moed en krachten, Die hopend op Hem wachten.

Sluiten