Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Gij rijt het, God, die mij met hulp gereed zijt; Een schut en scherm in alle angst en leed zijt,

In nood mij redt, ontkerkert, mild bedenkt, En mijnen geest met roem en vreugden drenkt. O goedheid Gods! nog gaan uw stralen verder, Ik wil (zegt Gij) u zijn een oprecht herder; U banen 't pad, dat gij ter deugd moet gaan; En van uw weg geen stond mijn oogen slaan.

6. Zie toe! wil niet gelijk een ros weerstreven,

Of als een muil, door domheid voortgedreven;

Gebit en toom, door 's menschen hand bestierd, Beteuglen woest en redeloos gediert.

Laat zulk een' dwang voor u niet noodig wezen, Wie God verlaat, heeft smart op smart te vreezen; Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen, Ziet zich omringd van zijn weldadigheên.

7. Rechtvaardig volk! verhef uw blijde klanken, Verheugd in God, naar waarde nooit te danken.

Zingt vroolijk; roemt zijn deugden t'allen tijd, Die immer vroom van hart en wandel zijt.

PSALM 33.

1. Zingt vroolijk, heft de stem naar boven; Rechtvaardigen! verheft den Heer; Het past oprechten God te loven;

Zingt zijnen grooten naam ter eer.

Prijst Hem in uw psalmen,

Met de schoonste galmen,

Roept zijn weldaan uit.

Laat de keel zich paren Met den klank der snaren;

Looft Hem met de luit.

2. Roemt nu, met nieuwe lofgezangen, De jongste blijken van zijn gunst; Het speeltuig moet dien toon vervangen; Heft vroolijk aan, wijdt Hem uw kunst.

Sluiten