Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. De rijke, vrek in overvloed,

Leed armoe, hongerde onverzaad Van roof, en onrechtvaardig goed;

Maar die God zochten, vroeg en laat, Ontbrak 't in armoe, hoe verlegen,

Nog nooit aan schat van heil en zegen.

PAUZE.

9. Komt herwaart, mijn scholieren! koomt;

Ik zal u leeren door Gods Geest,

Hoe God den zoon beloont, die schroomt

Zijn naam te kwetsen, en Hem vreest. Wie wil zijn levenstijd verlengen,

Zijn dagen zalig overbrengen ?

10. Wie zalig leven wil en blij,

Betoom', besnoei' zijn tong van kwaad, Van dubbelheid, bedriegerij,

En logentaal en valschen raad,

Schuw kwaad, zoek 't goede met verlangen, Zoek vrede, volge vredegangen;

11. Want God bewaakt het vroom geslacht

Van boven, met zijn alziend oog,

En neigt zijne ooren naar hun klacht,

Maar dreigt vergramd, van 's hemels boog, De boozen samen te verdelgen,

Den naam des stams inet al zijn telgen.

12. De vrome riep den hemel aan,

En 's hemels Heer verhoorde hem,

Verloste hem, die, overlaan

Van druk, dien meldde met zijn stem; God legert zich om droeve harten,

En zalft ootmoedige' in hun smarten.

13. De zwarigheên der vromen zijn

Ontelbaar; maar hun God alleen Verlost, na 't nijpen van de pijn,

Zijn volk uit alle zwarigheên,

Bewaart hun beenders op hun smeeken,

En laat niet een in stukken breken.

Sluiten