Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Verheerlijkt zij de hoogste God; Hij schenkt zijn knecht een vreedzaam lot." Dan meldt mijn tong, met diep ontzag, Uw recht, uw' lof den ganschen dag.-

PSALM 36.

1. De Mensch moog' vrij ten tempel gaan, Godsdienstig voor het altaar staan,

Veel vee ten offer slachten,

De lucht vervullen met gebêen Vol spreuken zijn, van iedereen

God-heilig zich doen achten:

Is hij niet vroom, wat baat de schijn? 't Geen dat hij is, dat moet hij zijn;

De Wijzen kunnen 't merken Dies zeg en neem ik in mijn hart,

Dat daar geen God beleden wordt,

Waar blijk is van kwa-werken.

2. Al stelt zich menig mensch zoo aan Dat hij bij 't slechte volk de waan

Van vroomheid heeft verkregen: 't Is niet. Beschouwt hem van nabij:

't Blijft door en door bedriegerij,

Zijn leven spreekt hem tegen.

Wat baat hem zijn behendigheid?

Zijn doen verraadt d'uitwendigheid

Van zijn gepronkte wezen En toont dat hem in 't hart ontbreekt, 't Geen daar zijn mond zoo veel van spreekt: In waarheid God te vreezen.

3. Wat is 't, of hij zich zeiven vleit En zacht in 't bed der zonden leit,

Rein in zijn eigen oogen?

't Geen in hem woont, het moet er uit, Hij opent ieder hartsbesluit

Door dingen die niet doogen.

Sluiten