Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20. Het heillot, dat rechtvaardigen verkregen,

Vloeit af van God, hun sterkt', als d' angst hen knelt. Hij laat, in tijd van nood, hen niet verlegen.

Des Heeren hulp bevrijdt hen voor 't geweld Van 't godloos rot: Hij komt hem gunstig tegen,

Die op zijn macht een vast vertrouwen stelt.

PSALM 38.

1. Straf toch niet in ongenaden

Mijn misdaden,

Heer, maar heb met mij geduld; Wil U niet in toorn ontsteken, En U wreken Op mijn zond' en zware schuld.

2. Want uw pijlen, afgeschoten,

Staan gesloten In mijns harten diepsten grond; Uwe hand komt op mij dalen,

Harde kwalen Lijd ik, door en door gewond.

3. Van uw gramschap, fel ontstoken,

Is verbroken Al mijn vleesch en lichaamskracht: Rust noch vrede wordt gevonden, Om mijn zonden,

In mijn beendren, dag of nacht.

4. Want mijn hoofd is als bedolven

In de golven Van mijn ongerechtigheên;

Zulk een last van strenge plagen,

Niet te dragen,

Perst mijn schouders naar beneên.

Sluiten