Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. 'k Zei: laat nooit mijn bitter lijden

Hen verblijden In hun trotschen euvelmoed;

Wijl die boozen juichen zouden,

Als z' aanschouwden 't Wanklen van mijn zwakken voet.

3. PAUZE.

17. Want, o Heer! ik ben aan 't zinken,

En tot hinken Ieder oogenblik gereed.

'k Heb mijn smart en onvermogen Steeds voor oogen,

Bij 't vooruitzicht van mijn leed.

18. 'k Wil mijn misdaan, die U tergen,

Niet verbergen;

Ik bedek die voor U niet.

'k Ben van wegen al mijn zonden, Die mij wonden,

Vol van kommer en verdriet.

19. Maar mijn' vijand zie ik leven,

Hoog verheven,

Machtig, vrij van druk en nood! Die, om valsche rêen verbolgen, Mij vervolgen,

Nemen toe en worden groot.

20. Zij, die kwaad voor goed vergelden,

Lastren, schelden,

En vervolgen mij gestaag:

Ja, zij zijn op mij gebeten;

Want zij weten,

Dat ik naar het goede jaag.

21. Zie mij, Heer! wien elk moet duchten,

Tot U vluchten.

O mijn God! verlaat mij niet;

Blijf niet, wegens mijn gebreken, Ver geweken;

Toon, dat Gij mijn rampen ziet.

Sluiten