Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gij hebt de heidnen met uw hand Verdreven, dat zij 't erf verlieten;

Hen fel geplaagd, uw volk geplant,

En op het weeldrigst voort doen schieten.

2. Hun zwaard deed hen dit land niet erven ; Hun arm deed hen geen heil verwerven;

Maar uwe rechterhand, uw macht,

Heeft hun dien voorspoed toegebracht; De glans van 't godlijk aangezicht Heeft hen de zege weg doen dragen :

Want Gij omscheent hen met het licht Van uw genadig welbehagen.

3. Gij zelf, o God! die, uit uw woning, Ons hulp verleendet, zijt mijn Koning:

Verlos ons van 't gedreigde kwaad;

Gebied het heil voor Jakobs zaad.

Gij doet ons onze weerpartij Met hoornen stooten in de lenden;

In uwen naam vertreden wij,

Die tegen ons de wapens wenden.

4. Stap ik vol moeds ten ooreloge;

'k Vertrouw niet op mijn stalen boge; Ik weet, dat, in den heeten strijd, Mij zwaard noch dapperheid bevrijdt. Maar Gij verlost den veegen Staat,

Van 's vijands macht, waarvoor wij duchten

Ook doet uw hand al wie ons haat Met schand' en schaamte henenvluchten.

PAUZE.

5. 't Is God, wien w'onzen Redder noemen; In wien w'ons al den dag beroemen.

Den lof uws naams, alom verbreid, Verheffen wij in eeuwigheid.

Maar nu verstoot Gij ons, o Heer! Wij zien ons hoofd met schand' bedekken;

Dewijl Gij inet ons heir niet meer, Ter hulp, als eertijds, uit wilt trekken.

Sluiten