Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Gij doet ons bevend rugwaarts wijken, En steeds voor d'overmacht bezwijken

Van haatren, die ons goed en bloed

Vast rooven in hun euvelmoed.

Gelijk de schapen die men slacht,

Hebt G'ons aan hen tot spijs gegeven ;

Ons onder 't heidendom gebracht,

Daar wij verstrooid, vol kommer, leven.

7. Gij hebt uw volk verkoopen laten Als wat geveild wordt op de straten,

Voor geen waardij, hoe min men bied';

En hunnen prijs verhoogt Gij niet.

Gij stelt ons tot een bittren smaad Voor schampre buren, die ons honen ;

De spot en schimp straalt van 't gelaat Der volken, die rondom ons wonen.

8. Gij doet ons tot een spreekwoord strekken Den heidnen, daar G'ons heen doet trekken

En 't volk, dat ons te snood berooft,

Schudt over ons, afkeerig, 't hoofd.

Mijn schande stelt men valsch in 't licht, Z'is nimmer uit mijn oog geweken;

De schaamte dekt mijn aangezicht,

Zoodat ik 't hoofd niet op durf steken.

9. De stem des honers moet ik hooren;

Zijn lastertaal klinkt mij in d'ooren;

De booze vijand koelt zijn' moed,

En dorst wraakgierig naar ons bloed.

Wij hebben echter in die smart,

Schoon wij dit alles ondervonden,

U niet vergeten in ons hart,

Noch trouw'loos uw verbond geschonden.

2. PAUZE.

10. Ons hart heeft zich van U, in nooden,

Niet afgekeerd tot valsche goden;

En onze gang week niet van 't pad,

Dat Gij ons voorgeschreven hadt:

Sluiten