Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Al hebt O' ons, in uw' toornegloed, Verpletterd in een plaats der draken,

En ons verdrukt en bang gemoed De doodsvalleien doen genaken.

11. Ja, hadden w', in dien druk gezeten, Den naam van onzen God vergeten,

De handen, in verlegenheid,

Tot vreemde goden uitgebreid;

Zou God, naar zijn onkreukbaar recht, Die euveldaad niet onderzoeken?

Al wat in 't hart wordt overlegd,

Kent Hij, tot in de diepste hoeken.

12. Maar wij, om uwentwil verdreven,

Verliezen, al den dag, het leven;

Wij worden, slechts van hen geacht

Als slachtvee, voor het mes gebracht.

Waak op, o Heer! waarom toch zoudt Gij slapen, en de smart vergrooten?

Ontwaak, toon, dat G'ons nog aanschouwt, En ons niet eeuwig wilt verstooten.

13. Hoe is uw aanschijn dus verborgen,

Terwijl men, Heer, ons wil verworgen?

Hoe kunt Gij onzen druk en smart

Dus ganschlijk stellen uit uw hart?

Want onze ziel, die nauwlijks leeft, Is treurig in het stof gebogen;

Terwijl ons lichaam d' aard aankleeft, Bezwijken wij in onvermogen.

14. Sta op, o God! Toon medelijden,

Laat ons uw arm van nood bevrijden;

Verlos ons uit den angst, o Heer!

Zoo krijgt uw goedheid eeuwig d'eer.

Sluiten