Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. De Heer, de God der legerscharen,

Is met ons, hoedt ons in gevaren:

De Heer, de God van Jakobs zaad, Is ons een burg, een toeverlaat.

Komt, wilt op 's Heeren daden merken; Aanschouwt des Hoogsten groote werken. Zijn macht, die nooit te stuiten is, Maakt d' aarde tot een wildernis.

5. God stilt, alom, het oorelogen:

Zijn arm verbreekt de taaie bogen;

Doet spies en speer aan stukken slaan, En wagens door het vuur vergaan.

Laat af! dus spreekt de Heer der Heeren: Weet! ik ben God, elk moet mij eeren; Het heidendom, ja 't gansch heelal Verhooge mij met lofgeschal.

6. De Heer, de God der legerscharen,

Is met ons, hoedt ons in gevaren.

De Heer, de God van Jakobs zaad, Is ons een burg, een toeverlaat.

PSALM 47.

1. Juicht, o volken! juicht; Handklapt, en betuigt Onzen God uw vreugd; Weest te zaam verheugd, Zingt des Hoogsten eer; Buigt u voor Hem neêr. Alles ducht zijn kracht: Alles vreest zijn macht: Zijne Majesteit

Maakt haar heerlijkheid, Over 't rond der aard', Wijd en zijd vermaard.

2. Naar Gods wijs bestel, Op Gods hoog bevel, Slaan wij, door zijn hand, Volken aan den band,

Sluiten