Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Mijn mond zal u de wijsheid leeren,

Met een voorzichtigheid' bij mij In 't hart, ten lof en prijs des Heeren, Bespiegeld heel gerust en vrij.

5. Mijn oor zal op Gods inspraak wachten,

En luistren, wat gelijkenis,

Wat raadsel schiete in mijn gedachten, Dat oirbaar voor mijn leerling is.

6. Ik wil mijn spreuken openbaren,

En rijk ontvouwen door gezangk,

Gehuwd aan spel van harp en snaren, Een goddelijken toon en klank.

7. Wat hoef ik voor dien dag te schrikken,

Als God het strenge vonnis velt?

Wanneer de dood mij komt verstrikken, Omsingelen met zijn geweld ;

8. Ik kan mij niet voor hem verbergen;

Zij stoffen ijdel op hun kracht En schatten, die den hemel tergen Met onrechtvaardig goed en pracht.

9. Geen broeder kan zijn broeder vrijen,

Geen mensch den mensch met have en schat; Geen goed verlost hem uit zijn lijen,

Hoe rijk hij is, hoe trotsch en prat.

10. Geen prijs wordt tegen iemands leven

Gewogen, noch verlost de ziel.

Hij slaaft gedurig, en moet sneven In 't eind; geen arm dit tegenhiel.

11. Hij weet een wijl van geen verrotten,

Al ziet hij, dat de wijze sterft;

De dood ten leste rijke zotten En dwazen van hun goed onterft.

12. Een vreemdling erft, wanneer ze reizen,

Den rijkdom, die den vrek begaf; Hij wisselt hoven en paleizen Voor planken en een stinkend graf.

PAUZE.

Sluiten