Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21. Dewijl zijn geest God plag te loven,

In 's levens voorspoed, vrij van druk. Hij loofde, o Zegenaar daar boven!

U slechts voor 't lot van aardsch geluk.

22. Hij volgt in 't graf zijns vaders stammen,

Daar 't eeuwig licht hem niet verschijnt, En God hem straft met groot vergrammen, In duisternissen afgepijnd.

23. De mensch, van God begaafd met reden,

Die mensch en dieren onderscheidt,

Kon haar gebruiken, noch besteden,

Noch kende 't lot, hem toegeleid.

24. Hij scheen het vee gelijk geschapen,

Misdeeld van reden en vernuft,

En blijft aan 't zichtbaar zich vergapen,

Terwijl zijn brein in 't hemelsch suft.

PSALM 50.

1. De groote God, Aartsrechter aller Goden,

Verhief zijn stem, en daagde, op zijn geboden, De stammen al, die d' aarde rond bewonen,

Van daar de zon in 't Oost zich 't oog komt toonen, Tot daar ze in 't West voorover nederzinkt, En, rood van gloed en goud en purper, blinkt.

2. Uit Zion, als het licht de wolken doorschijn,

Komt Hij, op 't schoonst en heerelijkst', te voorschijn. De Godheid komt zich levende openbaren

Met majesteit, in 't oog van alle scharen.

Hij komt niet stil gereên uit 's hemels poort, Maar met gedruisch, dat elk Hem ziet en hoort.

3. Een vier, een glans gloeit voor zijn aanzicht henen. De donder dreunt. Een bui van hagelsteenen

Sluiten