Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stort neder. Vier en weêrlieht brandt en blikkert. De bliksem straalt door al de lucht, en flikkert Verschriklijk in het oog; een ieder beeft Dat onweêr is de wacht, die Ood omgeeft.

4. Als 't onweêr, lang in arrebeid, Ood baarde, Verdaagde Hij den hemel en gansch d' aarde, Van boven tot beneden, als getuigen,

Die voor zijn macht en majesteit zich buigen. Hij daagt ze voor zijn stoel, een heldre wolk, Tot onderscheid en schifting van zijn volk.

5. Hij spreekt: „Vergaart mijn Heiligen tezamen Die zich mijn wet en erfverbond niet schamen, En, naar mijn wil, godvruchtige offeranden Mij offeren, en op d'altaren branden."

De hemel spreekt Gods recht en vonnis uit; D'Aartsrechter zelf bestemt het hoog besluit.

1. PAUZE.

6. De Godheid zegt: „Mijn volk! hoort toe; gij telgen Van Jakob! hoort, eer wij het kwaad verdelgen, Zal ik mijn wil ontvouwen en verklaren:

Ik ben uw God, uw God, zoo lange jaren D' Aartsvaderen bekend. Ik straf u niet Om offerande, als 't minst, daar God op ziet.

7. Uw ijver heeft in 't offren nooit ontbroken;

Want d'outers van brandoffer doorgaans smoken Voor mijn gezicht. Uw ijver wijdt de rammen Vast dagelijks aan vier en outervlammen.

Ik eisch geen kalf, gemest op uwen stal,

Noch bokken van uw kudde, uit weide en dal.

8. Ik zelf ben Heer van runderen en ossen,

En al het wild, geweid in berg en bosschen. Ik ken en tel ontelbre vogelvluchten,

Die zich in zon en lucht omhoog verluchten; Ik eigen Mij al wat in beemden bloeit, Wat heerlijk op den akker wast en groeit.

Sluiten