Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vernieuw mijn geest en wil en lust van binnen. Verstoot me, o Heer! niet van uw aangezicht,

Onttrek me niet uw Geest, die mij verlicht,

En dringt om heiliglijk U te beminnen.

PAUZE.

5. Geef mij deez' vreugd, die uit uw heil komt bortlen,

Gelijk een bron, en lijf en ziel verkwikt ;

En laat uw wet in mijnen boezem wortlen,

Door uwen Geest, een kracht, die 't al beschikt. Dan zal ik zelf den trouweloozen leeren De rechte baan, waarlangs men stijgt naar God. De reukelooze en goddelooze rot Zal, i.chuw van 't kwaad, zich naar den Schepper keeren.

6. O God! dien ik met recht mijn heil mag noemen,

Ontsla me van deez' bloedschuld, lang beschreid, Opdat mijn tong, al juichende, mag roemen

Van uw genade en uw rechtvaardigheid.

Gij zult, o Heer! mijn lippen openbreken,

Opdat mijn mond uw lof en eer trompett';

Want waart Gij meer gediend met offervet,

Gewis, ik had uw offerande ontsteken;

7. Maar Gij zijt min gediend met offerdieren.

't Brandoffer, dat uw Majesteit behaagt,

En Gij verkiest, voor kalveren en stieren,

Is 't needrig hart, gebroken en versaagd.

Dat uwe gunst, o Heer! tot Zions beste Gedij, naar 't hart, hetwelk Gij tot haar hadt. Zoo bloei, zoo groei Jeruzalem uw stad,

Ten hemel toe, met uitgeleide veste!

8. Dan zal de smook der offerande varen

Ten hemel, die verkwikt wordt door deez' vlam; Dan zal men U opoffren koe en ram,

En var en stier, op God gewijde altaren.

Sluiten