Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik dank (en 't is uw volk een lust) U, die 't zoo wel kondt maken, Ik dank U zonder eind: en rust Op U in al mijn zaken.

PSALM 53.

1. D'onwetende en bedorven rot

Sprak in haar nart: „Daar is geen Ood, Die voor de wereld zorge draagt.

Legt af de vrees, die dwazen plaagt, En volgt al wat uw hart behaagt."

2. Uit dezen poel rees eene pest,

Die 't al bedorf van Oost tot West; De menschen, langer niet belaan Voor straffe, van de rechte baan Den weg der dolinge inne slaan.

3. Men schimpt in deez' besmette lucht Met eerbaarheid en deugd en tucht,

Het onkruid wast, en wint vast veld. Het vruchtbre zaad verstikt en smelt, Totdat men geene vromen telt.

4. De Heer zag neer van 's hemels tin, Op 's menschen werk, op ieders zin

En wit, uit 's hemels heldren dag,

Of hij nog éénen wijze zag,

Of die naar Ood zocht, als men plag.

5. Zij waren al van d'eerste stut Geweken, altemaal onnut.

Het onkruid wast, en wint vast veld, Het vruchtbre zaad verstikt en smelt, Totdat men niet één vrome telt.

PAUZE.

Sluiten